Home


LEIDERSCHAP IS HERDERSCHAP (1 Petrus 5:1-4)


We zijn vandaag bij elkaar voor een bijzondere dienst. De inzegening van Jan Lourier als oudste van de gemeente. We hebben gehoord hoe Jan de afgelopen jaren door God is voorbereid op deze taak. Jan heeft altijd gezegd: wie ben ik om oudste van de gemeente te worden. Maar God heeft hem duidelijk gemaakt dat Hij hem wilde gebruiken voor deze taak. God heeft hem geroepen, en hij is er steeds meer naar gaan uitzien om oudste te mógen worden.

Paulus schrijft aan Timoteüs dat als iemand staat naar het opzienersambt (opziener is een ander woord voor oudste), dat hij dan een voortreffelijke taak begeert (1Tim. 3:1). En dat is ook zo. Dat kan ik uit eigen ervaring zeggen. Het ambt van oudste is een voortreffelijke taak. Een taak waarvan je mag weten dat de vrucht die je draagt voor eeuwig is. Persoonlijk zou ik willen zeggen dat het ambt van oudste een van de meest zinvolle dingen is die bestaan. Als je oudste mag zijn in de gemeente, mag je dat doen in het besef dat je een bijdrage levert aan het eeuwige plan dat God heeft met deze wereld. Dat is machtig. Dat is voortreffelijk. Een voorrecht.

Maar er is ook een andere kant. Soms is het ambt van oudste ook één van de zwaarste dingen die er zijn. Ik las een verhaaltje over een voorganger die de Heer twintig jaar gediend had, en toen hield hij er mee op. Hij werd begrafenisondernemer. Toen iemand hem vroeg waarom, zei hij: ‘ik heb 3 jaar lang geprobeerd om Klaas op het rechte pad te krijgen en Klaas is nog steeds een alcoholist. Ik heb 6 maanden lang geprobeerd om het huwelijk van Maartje te redden, en toch vroeg ze een echtscheiding aan. Ik heb 2 ½ jaar lang geprobeerd om Bob van de drugs af te krijgen, maar hij is nog steeds verslaafd. Nu werk ik tenminste met mensen van wie ik van tevoren al weet dat ze niet naar me luisteren!’

Het ambt van oudste is soms razend moeilijk. De Bijbel roept de gemeente dan ook op om haar leiders hoog te houden en ze te steunen. Als gemeente is het onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat onze oudsten hun werk met vreugde kunnen doen. Hebr. 13:17 zegt: ‘gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen’.

Laat ik meteen een misverstand uit de weg ruimen. Het gaat hier niet om voorgangers in de zin zoals wij predikant/ voorgangers kennen. Het woord dat hier gebruikt wordt voor voorgangers is hegéomai, en dat betekent leiders. Letterlijk betekent het ‘zij die hooggeacht worden’. Leiderschap in de gemeente is nooit één man die de hele gemeente bestuurt. Leiderschap in de gemeente zoals de Bijbel er over spreekt is altijd gezamenlijk leiderschap. Teamwerk.

De gemeente wordt geleid door een team van oudsten. Uiteraard is het belangrijk dat de gemeente geleid wordt door oudsten die weten wat ze doen en waarom. En ook voor ons als gemeente is het belangrijk dat we weten wat een oudste nu precies is. Wat doet een oudste nu precies? Bij die vraag wil ik vandaag met u stilstaan. Ik wil graag met u lezen: 1 Petrus 5:1-4

Hoedt de kudde Gods, zegt Petrus. Een oudste hoedt dus de kudde. Met andere woorden, als je de taak van een oudste in één woord wilt samenvatten, dan kun je zeggen dat een oudste een herder is. De Bijbel gebruikt op veel plaatsen het beeld van een herder om leiderschap te omschrijven. De Here Jezus spreekt ook over zichzelf als de Goede Herder, en over de kinderen van God als Zijn kudde. Leiderschap is herderschap, kun je zeggen. Zo heb ik ook de preek van vandaag getiteld. Leiderschap is herderschap.

Het herderschap is dan ook een prachtig beeld van hoe de Bijbel kijkt naar leiderschap. Als je wilt weten wat de wil van God is ten aanzien van leiderschap. Wat Hij wil dat leiders doen. Hoe ze werken en hoe hun verstandhouding is met degenen aan wie ze leiding geven. Bestudeer dan het leven van de herder. Niet voor niets hebben de meest succesvolle leiders uit de Bijbel bijna allemaal een praktijkstage gevolgd als herder van een letterlijke kudde schapen. Abraham, de stamvader van Israël, was herder. Mozes, die het volk naar het beloofde land leidde, was veertig jaar lang herder. Koning David groeide op als herdersjongen. 

Nogmaals, een prachtig beeld, want herderschap wordt gekenmerkt door intimiteit, tederheid, zorg, vaardigheid, hard werken, lijden en liefde. Derek J. Timball, voormalig professor van het London Bible College, schrijver van het boek Skillful Shepherds (wat betekent vaardige herders): schrijft dat herders ‘een subtiele mengeling van gezag en zorg’ hebben, en ‘evenveel onverzettelijkheid als tederheid, evenveel moed als troost.’

Ik wil met u nadenken over vijf aspecten uit het werk van een herder, die ons een diep inzicht geven in het werk van een oudste in de gemeente. 

1. Herders leiden en wijzen de weg
Als een herder ’s morgens naar de schaapskooi gaat, en hij laat de schapen los, dan leidt hij de kudde naar de plaats waarvan hij weet: hier kan de kudde grazen. Hier is voldoende voedsel, hier zijn de schapen beschut en hier is het relatief veilig. Met andere woorden: herders weten waar ze naar toe willen. Ze kennen hun doel. 

Zo weet een oudste wat het doel van de gemeente is. Heel veel gemeentes zijn dat doel helemaal uit het oog verloren. Ze komen iedere zondag bij elkaar, en door de week ook nog één of twee keer, voor gebed en bijbelstudie, maar waarom ze die dingen doen, wat nu eigenlijk het doel is, weten ze vaak niet meer. Soms is de enige reden dat ze het nu eenmaal hun hele leven zo gewend zijn. 

Een tijdje geleden heb ik gesproken over de doelen van de gemeente. U weet het vast nog: de AGENDA van de gemeente. De AGENDA is het antwoord op de vraag naar het doel van de gemeente. Waarom zijn wij gemeente? Om God te Aanbidden. Om Gemeenschap met elkaar te hebben. Om het Evangelie te verkondigen. Om Discipelen van Jezus te zijn. En om Anderen te dienen.

Maar eigenlijk is er nog één doel dat die vijf overstijgt. Want het ultieme doel, de koepel die je over de vijf doelen heen kunt leggen, is dat ieder gemeentelid geestelijk volwassen wordt. Geestelijk volwassen in die mate dat iedereen afzonderlijk deze vijf doelen in zijn of haar leven vormgeeft. 

Het doel is niet alleen dat wij als gemeente als we samenkomen God aanbidden. Het doel is dat iedereen afzonderlijk een leven leidt dat tot doel heeft om God te aanbidden. Het doel is dat iedereen afzonderlijk een positieve bijdrage levert aan de gemeenschap in Gods familie. Het doel is dat iedereen afzonderlijk een getuige is van Jezus Christus. Dat iedereen afzonderlijk in alle aspecten van het leven een discipel, een leerling is van Jezus Christus. Dat iedereen afzonderlijk er op gericht is om in de allereerste plaats anderen te dienen, niet om gediend te worden. 

Geestelijke volwassenheid van alle leden, dat is het doel van de gemeente. En alles wat een oudste in de gemeente doet, is daarop gericht, dan de leden van de gemeente geestelijk volwassen worden. Daar leidt een oudste de kudde naar toe.

Het is van groot belang dat Petrus zegt hoe oudsten dat moeten doen. Namelijk niet als heerschappij voerend over hetgeen de oudsten ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde. Iemand die heerschappij voert, stelt zichzelf in een positie boven de ander. En vanuit die positie draagt hij de ander precies op wat hij moet doen, wanneer hij het moet doen, en hoe hij het moet doen. Alles wat afwijkt van de manier die door de heerser is gekozen, is fout en wordt afgewezen.

Iemand die een voorbeeld is, laat zien hoe hij het doet, en daagt de ander uit om dat voorbeeld te volgen. Iemand die een voorbeeld is stelt zichzelf niet boven de ander. Hij geeft de ander ruimte om het principe na te volgen, maar op zijn eigen manier, ook als dat een andere manier is dan de oudste zelf zou kiezen. Hij geeft de ander de gelegenheid om fouten te maken. Om echt te leren om het zelf te doen. Dat leidt tot volwassenheid, als je de dingen zelf leert doen, met vallen en opstaan.

Het feit dat herders de kudde leiden en de weg wijzen, veronderstelt dat herders de weg zelf ook kennen. Dat is natuurlijk logisch. Een herder kan zijn kudde niet leiden naar een weide waar hij zelf nooit geweest is. Daar schuilt een diepe geestelijke waarheid in. Een leider kan de kudde niet op plaatsen brengen waar hij zelf nooit geweest is. Een oudste kan geen voorbeeld zijn van een mate van volwassenheid die hij zelf niet bezit. Een oudste kan zijn kudde niet op een hoger niveau van aanbidding brengen dan waar hij zich zelf bevindt. Niet op een hoger niveau van gemeenschap. Evangelisatie. Discipelschap. Dienstbaarheid. Dat betekent niet dat de kudde niet in die aspecten kan groeien, maar niet dankzij de oudste. Hij kan de kudde niet verder brengen dan waar hij zelf is.

2. Herders weiden en voeden de schapen
Het tweede aspect van herderschap is dat herders de schapen weiden en voeden. Een herder brengt de kudde naar een plaats waar voldoende gras is, zodat de schapen kunnen grazen. En zo is het ook met oudsten. Oudsten voorzien de gemeenteleden van voedsel. Geestelijk voedsel. Voedsel waar de kudde geestelijk van groeit, en dat is het Woord van God. De Bijbel is geestelijk voedsel. Deuteronomium 8:3 zegt dat de mens niet leeft van brood alleen, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat. Het Woord is datgene waardoor een gemeente groeit en volwassen wordt, en het is de taak van de oudste om de gemeente voortdurend te voeden met het Woord.

Dat wil niet zeggen dat iedere oudste moet kunnen preken. Het wil wel zeggen dat het Woord van God in alles wat een oudste doet de hoofdrol moet spelen. Bij huisbezoeken, in persoonlijke gesprekken, bij vermaningen, bij het maken van beleid voor de gemeente, in het pastoraat, overal moeten we ons er als oudsten van bewust zijn dat mensen groeien en volwassen worden door gevoed te worden met Gods Woord.

3. Herders houden toezicht op hun schapen
Herders leiden de kudde en wijzen de weg. Herders weiden en voeden de schapen. Herders houden ook toezicht op hun schapen. Ik wil enkele adviezen met u lezen die Paulus gaf aan de oudsten in Efeze. Ze staan in Handelingen 20:28, ik lees uit Het Boek: Pas goed op uzelf en op de kudde waarover de Heilige Geest u het toezicht heeft gegeven. Leef als herders voor de gemeente van God, die Hij door het bloed van Zijn eigen Zoon heeft verkregen. Want ik weet dat er na mijn vertrek valse leraars, als hongerige wolven, bij u zullen komen; zij zullen de kudde niet ontzien. Zelfs sommigen van u zullen de waarheid verdraaien en proberen de christenen aan hun kant te krijgen. Wees daarom op uw hoede. Vergeet niet dat ik, in de drie jaar dat ik bij u was, ieder van u voortdurend heb terechtgewezen, zowel ‘s nachts als overdag en vaak onder tranen.

Paulus zegt hier dat het de taak van oudsten is om toezicht te houden op de kudde, maar dat begint altijd met het toezicht op jezelf. Je kunt de gemeente pas voeden met het Woord van God als je zelf een regelmatig dieet van Oud en Nieuw Testament tot je neemt. Je kunt pas wijzen op de liefde en genade van God als je die liefde en genade zelf ervaart, door een gezond en regelmatig gebedsleven. Je kunt de kinderen van God alleen dan vermanen als je zelf een zuiver en heilig leven leidt. Dat wil niet zeggen dat je geen fouten mag maken, maar wel dat je die fouten belijdt, en je daarvan bekeert.

Herders houden toezicht op de kudde, en dat begint bij het toezicht op je eigen geestelijk leven. Waarover houden oudsten toezicht? Paulus waarschuwt de oudsten van Efeze dat er valse leraars zullen komen, zowel van buiten de gemeente als van binnen de gemeente. Valse leer is een grote bedreiging voor de gemeente. Een bedreiging waartegen de oudsten de gemeente moeten beschermen. Paulus vergelijkt valse leraars met hongerige wolven, die de kudde niet ontzien. Wolven verscheuren, maken kapot. Ze verdraaien de waarheid. Deze wolven kunnen van buiten komen. Maar ze kunnen ook van binnen komen, vanuit het eigen midden.

En daarom is het van groot belang dat de oudsten in de gemeente in de eerste plaats een goede kennis hebben van de Bijbel, en in de tweede plaats dat ze gevoelig zijn voor de indrukken van de Heilige Geest. De Geest waarschuwt soms tegen valse leraren nog voordat er daadwerkelijk iets is gezegd waar je echt de vinger achter kunt krijgen, waarvan je kunt zeggen: dit is valse leer. Soms waarschuwt de Heilige Geest je al maanden van tevoren. Als je bidt over een situatie, of voor sommige mensen. Dan krijg je bij dat gebed alleen maar de indruk: pas op. Dan ben je maanden op de hoede. En dan blijkt op den duur dat je voorzichtigheid terecht is geweest. Omdat iemand er valse leer op na houdt. Soms in belijdenis. En soms in levenspraktijk.

Paulus schrijft aan Titus in Titus 1:9 dat een oudste zich moet houden aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen. 

Soms gaan mensen in de praktijk van hun leven in tegen de wil van God, en dan moeten we deze mensen als oudsten vermanen. Dat is nooit makkelijk. Paulus zegt dat hij dag en nacht bezig is geweest om de mensen in Efeze terecht te wijzen, en vaak onder tranen. Ik zei in mijn inleiding al: soms is het ambt van oudste één van de zwaarste dingen die er zijn. En dat ervaar je onder andere als het gaat om vermaningen. Dat kost soms heel wat tranen. Vooral als mensen volharden in zonde. 

Als je als oudste ziet dat mensen zich in hun leven op een heilloze weg bevinden. Als je van tevoren al ziet dat de keuzes die mensen maken ze op termijn verschrikkelijk veel ellende en problemen en verdriet zullen gaan opleveren. Als je mensen met de Bijbel in de hand probeert te overtuigen van het feit dat Gods weg echt de beste is. Dat Hij je niet in je keuzes wil beknotten. Je vrijheid niet wil beperken. Maar dat de dingen die in de Bijbel staan je echt een diep levensgeluk zullen bezorgen. En als mensen er dan tóch voor kiezen om tegen de wil van God in te gaan. Om hun eigen wil te volgen. Dan sta je als oudste machteloos. En dan kost dat soms heel wat tranen. Dan heb je elkaar als oudsten hard nodig. Dan is het maar goed dat je als team mag werken.

4. Herders genezen, verbinden en maken gezond 
Ik heb me laten vertellen dat een herder aan het eind van iedere dag, als hij de kudde terug naar de schaapskooi heeft geleid, ieder schaap en lam tussen zijn benen door laat gaan. Dat hij ieder schaap even over zijn vacht strijkt. Even in de ogen kijkt. Nakijkt of er wondjes zijn, of het schaap ziek is. 

Zo is ook een oudste. Oudsten kijken regelmatig de leden van de gemeente na. Soms letterlijk. Even in de ogen kijken. Soms ook biddend. Natuurlijk zijn de mogelijkheden van ieder mens, iedere oudste, dan beperkt. Je kunt niet alles zien. Soms moet een schaap bij de herder komen blaten voordat hij doorheeft dat er iets aan de hand is. Maar als er dan sprake is van ziekte, of mensen zijn geestelijk gewond of afgemat, mensen die lijden, soms onder hun eigen zonde, die zich in een crisissituatie bevinden enzovoorts, dan doet een oudste wat hij kan om voor die persoon te zorgen.

Soms door pastorale gesprekken te voeren. Soms door, zoals Jakobus in hoofdstuk 5 zegt, iemand die ziek is te zalven met olie, voor die persoon te bidden. Soms door een vermaning. Of door een vertroosting. En soms helpt het al heel veel om alleen maar even te vragen hoe het is, even de tijd te nemen om te luisteren.

5. Herders houden van hun schapen 
Jezus maakt in Johannes 10 het verschil duidelijk tussen een huurling en een echte herder, een goede herder. Hij zegt dat de schapen een huurling niet ter harte gaan. Als een huurling een wolf ziet aankomen, dan laat hij de schapen in de steek. Hij vlucht. Hij redt zijn eigen haggie. Een huurling werkt niet uit liefde voor de schapen. Een huurling werkt voor de centen. Daarom zegt Petrus ook in het stuk dat we gelezen hebben dat een oudste de kudde niet moet hoeden uit schandelijke winzucht, niet om het geld, maar uit bereidwilligheid. 

In de tijd dat Petrus dit schreef hadden de oudsten waarschijnlijk toegang tot de gemeentekas. Dat hebben wij niet meer. Wij hebben een penningmeester. Maar deze winzucht hoeft niet alleen financieel te zijn. Je kunt ook de houding van een huurling hebben zonder dat het direct over geld gaat. Het kan ook gaan om een niet geldelijke beloning waar je op uit bent. Je bent ook een huurling als het je er om te doen is dat je als oudste op een voetstuk geplaatst wordt. Als je gecomplimenteerd wilt worden. Als je je eigenwaarde ontleent aan de gebeden die voor je worden uitgesproken. Oudsten die meer aandacht hebben voor aantallen dan voor personen. Als het je te doen is om macht. Om aandacht. Als dat je beweegredenen zijn om oudste te worden. Dan heb je de houding van een huurling. En een huurling doet alleen die dingen die zichtbaar zijn. En dan alleen zolang de balans meer uitslaat naar de kant van het ontvangen dan naar de kant van het lijden. De kant van de tranen.

Een echte herder, een goede herder, houdt van de kudde. Hij gaat door, ook als het leiden van de gemeente lijden voor de oudste betekent. Een goede herder, zegt de Here Jezus, zet zijn leven in voor zijn schapen.

Dat vertaalt zich bijvoorbeeld in de rol die gebed in het leven van een oudste speelt. Als een oudste van zijn kudde houdt, dan bidt hij voor de kudde. Dan pakt hij regelmatig de adressenlijst er bij in zijn stille tijd, en dan staat hij bij iedereen even stil. Iedereen brengt hij even voor de troon van God. Ouderen. Volwassenen. Tieners. Jeugd. Kinderen. Soms problemen die bekend zijn, of zorgen. Gebed is niet zichtbaar. Gebed levert geen beloning op, althans niet direct en niet van mensen. Gebed is onbaatzuchtig. Bidden doe je uit liefde voor de kudde, en degene die er baat bij heeft is degene voor wie je bidt, niet jijzelf. Het maakt je alleen geestelijk rijker, tenminste, als het je daar maar niet om te doen is.

Petrus zegt dat een oudste de kudde niet gedwongen moet hoeden, maar uit vrije beweging en naar de wil van God. Je verlangen moet er naar uitgaan. Een verlangen dat geboren wordt uit liefde. Als je moet leuren met de functie van oudste. Als je iemand bij wijze van spreken zijn arm moet omdraaien voordat hij ja zegt op het ambt van oudste. Dan zal hij het misschien een paar maanden volhouden. Maar dan zal hij óf opgeven. Óf hij zal de overige oudsten alleen maar meer werk opleveren, omdat hij meer brokken maakt dan goed doet. Howard Hendricks heeft gezegd: als je niet tegen de stank van schapen kunt, dan moet je geen herder worden. Met andere woorden: je moet zielsveel van God en van de gemeente houden, anders moet je geen oudste worden. Want het ambt van oudste is soms loodzwaar.

Leiderschap is herderschap. En herders leiden en wijzen de weg. Herders weiden en voeden de schapen. Herders houden toezicht op hun schapen. Herders genezen, verbinden en maken gezond. Herders houden van hun schapen. 

Het is niet mijn bedoeling om een ideaalbeeld van een oudste te schilderen, om verwachtingen te kweken bij de gemeente waar niemand aan kan voldoen. Het is niet mijn bedoeling om een loodzware last op de schouders van Jan en van mijzelf te leggen. Iedere oudste heeft zijn gaven, maar ook zijn beperkingen. Jan is, nu hij is ingezegend, niet plotseling een heel andere Jan geworden dan hij altijd al was. Maar het beeld dat de Bijbel schetst van een oudste is een prachtig beeld, waar we ons aan kunnen optrekken. Waarnaar we kunnen streven. Waar we elkaar als team bij aan kunnen vullen.

Als ik zo de gemeente inkijk, dan denk ik dat er meer potentiële oudsten zijn. Als God u op het oog heeft om oudste in deze gemeente te worden, dan is er waarschijnlijk iets gaan kriebelen bij het aanhoren van deze preek. Dan wilt u hieraan meewerken. 

Als u opziet naar het ambt van opziener, dan begeert u een voortreffelijke taak. Een taak waarvan ik de hoop wil uitspreken dat God u daar naartoe zal doen groeien, zoals Hij Jan de afgelopen jaren heeft voorbereid. 

De Heilige Geest doet oudsten bij monde van Petrus een geweldige belofte. Wanneer de opperherder verschijnt, zegt hij, wanneer de Here Jezus terugkomt met de wolken, dan zult gij de onverwelkelijke krans der heerlijkheid verwerven. 
Die krans dat is de erekrans die als prijs aan atleten werd gegeven bij de spelen. Als ze de wedloop gewonnen hadden. Als ze de strijd gestreden hadden. Als ze als overwinnaars staande waren gebleven. 

Die krans, die aan atleten werd gegeven, was gemaakt van verschillende soorten bloemen, van de olijfboom, van de pijnboom en van peterselie. Die bloemen werden dan met takken van de wilde olijfboom tot een krans gevormd. Maar zo ‘n krans verwelkte heel snel, en dan was het mooie er van af. 
Deze krans waar Petrus over spreekt is onverwelkelijk. Hij gebruikt het woord amarantinos. Dat is afgeleid van ook een plant, de amaranthus. Ik heb me laten vertellen dat de bloemen van deze plant, zolang je ze van water voorziet, niet verwelken. 

En zo is de krans die de Heilige Geest aan oudsten belooft onverwelkelijk, altijd vers. Een krans van heerlijkheid. Glorie. Schittering. Majesteit. Grootsheid. Voortreffelijkheid. Waardigheid. Gratie. De hoogst haalbare verheven staat. 

Jan, de komende jaren zul je een voortreffelijke taak mogen vervullen. Een taak waarvan je mag weten dat de vrucht die je draagt voor eeuwig is. Je krijgt een ambt dat een van de meest zinvolle dingen is die bestaan. Je mag oudste zijn in het besef dat je een bijdrage levert aan het eeuwige plan dat God heeft met deze wereld. Dat is machtig. Dat is voortreffelijk. Een voorrecht.

Maar het zal bij tijd en wijle ook loodzwaar zijn. Er zullen ook slapeloze nachten komen. Tranen. Laten we elkaar in die tijden herinneren aan de amaranthus. Aan de onverwelkelijke krans van heerlijkheid die we zullen ontvangen. Wanneer de opperherder verschijnt.

AMEN.